Wie waren de Agenten-parachutisten?
Tussen 1940 en 1945 trokken ongeveer 350 Belgen van 17 tot 44 jaar naar Groot-Brittannië, omdat zij wilden deelnemen aan de strijd voor de bevrijding van België. Hun wachtte een bijzonder lot.
Sommigen bereikten Groot-Brittannië in enkele weken; anderen deden er bijna drie jaar over en belandden onderweg in verscheidene kampen en gevangenissen, maar behielden steeds dezelfde vastberadenheid. Na hun aankomst in Engeland werden zij enkele dagen ondervraagd om uit te sluiten dat het om een infiltratiepoging van de vijand ging. Vervolgens kregen zij het voorstel om toe te treden tot een Belgische geheime dienst, zoals de Staatsveiligheid of de 2e Directie van het Ministerie van Landsverdediging (MLV), of tot een Britse dienst: de Special Operations Executive (SOE) of de Secret Intelligence Service (SIS). De meesten kozen voor de SOE. Zij volgden allemaal een opleiding waarna zij Agenten-parachutisten werden.
Deze dienst was al in juli 1940 door Winston Churchill opgericht “om Europa in vuur en vlam te zetten”, op basis van een bijzonder slim idee. In plaats van Engelse agenten naar vijandelijk gebied te sturen die technisch uitstekend waren opgeleid, maar de plaatselijke gebruiken en meestal ook de taal niet kenden, wilde Churchill onderdanen inzetten die speciaal voor de ondergrondse oorlogvoering waren opgeleid: Polen in Polen, Italianen in Italië, Fransen in Frankrijk … en Belgen in België.
Na een eerste fysieke en psychologische selectie volgden deze jonge mannen gedurende ongeveer acht weken een doorgedreven technische opleiding en een intensieve fysieke training in “scholen” in het noorden van Schotland.
Die opleiding maakte van hen geheime agenten die vertrouwd waren met het clandestiene leven, het vervaardigen van valse papieren, het herkennen van achtervolging, contactprocedures en het gebruik van “brievenbussen”, kaartlezen, close combat, wapengebruik, sabotage- en explosieventechnieken en ontsnappingstechnieken. Iedereen leerde de basis van morse-radiotelegrafie; de meest begaafden werden opgeleid tot snelle en doeltreffende radio-operatoren.
Tot slot leerden zij parachutespringen, het meest gebruikte middel om een agent ongemerkt in bezet gebied te droppen. Een fysieke training, gevolgd door twee of drie sprongen, volstond doorgaans.
Daarna wachtte een eindproef om hun talent en vindingrijkheid te testen. Zonder geld of identiteitsdocumenten werden zij in een afgelegen deel van Schotland afgezet. Hoewel de meesten nauwelijks Engels spraken, moesten zij een adres op ongeveer 100 kilometer afstand bereiken zonder te worden opgepakt door de Britse politie, die gewaarschuwd was dat gevangenen waren ontsnapt. Slechts weinigen werden gevat; in dat geval bood een telefoontje dat hun situatie tegenover de politie ophelderde een laatste uitweg.
Elke indiscretie of andere inbreuk op de veiligheid werd streng bestraft. Een agent kon zelfs uit de opleiding worden gezet en naar de Belgische Strijdkrachten in Groot-Brittannië worden teruggestuurd. Zij werden uiterst zorgvuldig op hun missie voorbereid: kleding van continentaal-Europese oorsprong, een valse identiteit en valse papieren, een geloofwaardig levensverhaal, een nagebootst politieverhoor enzovoort.
Het doel was dat hun ware identiteit geheim bleef, zodat de nazi’s geen familieleden als gijzelaar konden nemen. Het was hun overigens verboden om zich aan hun familie bekend te maken. Omdat zij in de schaduw en zonder uniform werkten, werden zij bij gevangenneming door de Duitsers als spionnen of terroristen beschouwd en konden zij zonder proces worden geëxecuteerd of naar Duitsland gedeporteerd.
Zij werden alleen of in teams van twee of drie op speciale missie naar bezet gebied gestuurd. Bijna altijd werden zij per parachute gedropt, soms afgezet door kleine vliegtuigen van het type Lysander, zelden per boot en uitzonderlijk per onderzeeër. De opdrachten waren uiteenlopend: sabotage, contact met verzetsgroepen en de levering van materieel en wapens, propaganda, inlichtingenwerk enzovoort.
De eerste agenten werden al in mei 1940 door de SIS per boot in België geïnfiltreerd. De eerste agenten werden vanaf oktober 1940 door de SIS per parachute gedropt en vanaf mei 1941 door de SOE. De laatste Belgische agenten die op speciale missie werden gedropt, landden op 17 april 1945 in Duitsland. Daarna werden nog verscheidene Belgische agenten achter de vijandelijke linies in Nederland of Duitsland geïnfiltreerd; zij zetten hun opdracht voort tot de bevrijding door de geallieerde troepen.
Hun voornaamste taak bestond erin de verzetsbewegingen te ondersteunen die in sommige gevallen al vanaf mei-juni 1940 in België waren ontstaan. Zij voorzagen die bewegingen van de materiële middelen — wapens, explosieven enzovoort — en de mensen die nodig waren voor sabotage (onder meer Groep G, FIL, Nola en de Gewapende Partizanen), inlichtingenwerk (Zéro, Luc-Marc enzovoort), propaganda (de vijand demoraliseren en de voor de Duitsers nuttige landbouw- en industriële productie vertragen), ontsnappingslijnen voor vliegeniers (Comète, Pat O’Leary enzovoort) en het overbrengen van geheime rapporten (Benoît, Sabot, Belgische Commandopost, Centrale Postdienst enzovoort). Ook het Geheim Leger, dat hoofdzakelijk uit militairen bestond, en het burgerverzet werden ondersteund.
De gedropte agenten brachten ook middelen, waaronder diamanten en goud, naar België om de verzetsbewegingen te financieren en mensen te ondersteunen die weigerden verplicht in Duitsland te werken of ondergedoken leefden, onder wie verborgen Joodse kinderen. Deze middelen werden onder meer verdeeld dankzij de medewerking van het Comité Gilles, de Tournay en Socrate.
De rol van de radio-operatoren was essentieel om communicatie tot stand te brengen tussen “het terrein” en de Belgische en Britse autoriteiten in Londen. Daardoor konden bij de landing in Normandië in juni 1944 ook de verschillende verzetsbewegingen worden gecoördineerd, wat de geallieerde opmars en de bevrijding van België begin september 1944 bevorderde.
Dankzij de missie Samoyède kon de Belgische radio-omroep meteen na de bevrijding opnieuw vanaf het nationale grondgebied uitzenden.
Na de landing van juni 1944 werden sommige agenten voor specifieke inlichtingenopdrachten in Duitsland gedropt, onder meer rond de lanceerinstallaties voor V1- en V2-wapens.
Driehonderddrieëndertig agenten werden op missie gestuurd; sommigen voerden meerdere missies uit. Meer dan de helft werd gearresteerd en ongeveer honderd keerden nooit terug. Van velen zijn de omstandigheden van hun executie onbekend. Zie ook de lijst van operationele Agenten-parachutisten in het hoofdstuk “Groep geschiedenis”.
Na de oorlog zochten de overlevenden elkaar op en kwamen zij opnieuw samen om een Verbroedering voor onderlinge hulp op te richten, ter nagedachtenis van hun kameraden. Vandaag zetten hun nakomelingen, samen met een steeds groter aantal jonge sympathisanten, die traditie voort.
Tekst: dr. Patrick Guérisse O’Leary, juli 2021.
Verbroedering van de Agenten-parachutisten 1940-45
Gedenkplaat
Op 8 juli 2021 legde Zijne Majesteit koning Filip een bloemenkrans neer aan de gedenkplaat van het Huis.
Onder de lijst van Agenten-parachutisten die tijdens hun missie omkwamen, staan de namen van de militaire SAS-parachutisten en Belgische commando’s die in 1940-1945 sneuvelden.
Meer recent werd een tweede plaat toegevoegd ter ere van de paracommando’s die tijdens humanitaire operaties omkwamen.
De SOE en André WENDELEN
Op 2 april 2022 zond La Trois een reportage uit, « La Résistance au service de Sa Majesté », waarin André WENDELEN aan bod kwam. Tijdens de oorlog noemden zijn vrienden hem « l’Archange » of « Le Prince », omdat hij DRIE keer boven België was gedropt en telkens uit de handen van de bezetter wist te blijven. Dat is uitzonderlijk: onder de Belgische agenten kan alleen Philippe de LIEDEKERKE eenzelfde staat van dienst voorleggen. De meeste agenten werden één of hoogstens twee keer gedropt. « L’Archange » was dus geen officieel pseudoniem van de SOE of de Belgische Staatsveiligheid, maar vertolkte zowel het uitzonderlijke karakter van de man als de bewondering van zijn tijdgenoten.
Hij bereikte Londen in mei 1940 en werd opgeleid door de SOE en de Britse propagandadienst Political Warfare Executive (PWE).
De eerste missie (Mandanus) liep van midden januari tot eind juli 1942 en beoogde sabotage, inlichtingenwerk en propaganda. Daarvoor nam hij contact op met Henri NEUMAN, een voormalige studiegenoot aan de ULB die deel uitmaakte van een verzetskern binnen de ULB waaruit later Groep G ontstond. Hij wierf in Luik, Namen en Brussel nieuwe leden voor deze sabotagegroep, die zich uiteindelijk over het hele land zou uitbreiden. André WENDELEN deed er bijna een jaar over om Engeland opnieuw te bereiken.
De tweede missie (Tybalt) liep van midden augustus 1943 tot eind februari 1944. Ze had tot doel het gewapende burgerverzet te organiseren, onder meer met de Belgische Nationale Beweging en het Onafhankelijkheidsfront. Via de ontsnappingslijn Comète keerde hij terug naar Engeland.
De door de Britse en Belgische geheime diensten opgedragen missie Brabantio omvatte onder meer de sabotage van de productie en lancering van V1- en V2-raketten. Daarnaast moest hij prins Karel, de broer van Leopold III, opsporen, die in de streek van Spa verborgen zat, en hem naar Londen brengen. Die laatste opdracht werd uiteindelijk geannulleerd en WENDELEN keerde via de Comète-lijn naar Londen terug.
Na de oorlog begon André WENDELEN aan een diplomatieke loopbaan, die hij afsloot als Belgisch ambassadeur in Ankara.
Deze film werd op 4 april 2023 in ons Huis voorgesteld door de regisseur, mevrouw Cécile COOLEN.
Van de Belgische SAS-parachutisten van 1940–1945 tot de Special Forces Group van vandaag
Het Huis van de Verbroedering ontstond uit de Agenten-parachutisten die vanuit Londen door de Britse en Belgische geheime diensten werden uitgezonden, maar onderhield vanaf zijn oprichting ook banden met de Vriendenkring van de SAS-parachutisten. Hieronder volgt een beknopte geschiedenis van deze militaire parachutisteneenheid.
Op 8 mei 1942 werd de 1e Onafhankelijke Belgische Parachutistencompagnie opgericht. Begin 1944 werd ze als SAS-eskadron opgenomen in de S.A.S.-brigade (Special Air Service), die ook Britten en Fransen omvatte. Onder de eerste leden bevonden zich enkele Belgische Agenten-parachutisten van de SOE. Anders dan de Agenten-parachutisten, die geheime agenten waren, vochten de S.A.S.-eenheden in uniform. Zij voerden achter de vijandelijke linies opdrachten uit voor inlichtingen, sabotage en verrassingsaanvallen. De S.A.S. had de eer om na de landing als eerste Belgische militaire eenheid de vijand op het continent te bevechten. Ze werden ingezet in Normandië, in de heuvels van de Perche, in Picardië en in België, in Limburg en de Ardennen. In september 1944 waren zij de eerste geallieerde soldaten die België en vervolgens Duitsland binnentrokken.
Tijdens het von Rundstedt-offensief vocht het Belgian SAS Recce Squadron (« 5th SAS ») in de Ardennen. Na versterking nam het Belgian SAS Regiment deel aan het slotoffensief, met verkenningsopdrachten in Nederland en Duitsland.
Zij waren verantwoordelijk voor de gevangenneming van de regering van admiraal Dönitz in Flensburg en van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken von Ribbentrop.
Tussen juli 1944 en mei 1945 verloor de Belgische S.A.S. 3 officieren en 14 onderofficieren en soldaten. Ze werden vijfmaal vermeld in de dagorders van het leger en hadden de eer om in september 1944 als eerste geallieerde soldaten België en vervolgens Duitsland binnen te trekken.
Op 21 september 1945 werd het Belgian (5th) SAS Regiment van het Britse leger overgedragen aan het nieuw samengestelde Belgische leger. Onder de naam 1e Regiment Parachutisten bleef het tot 1952 zelfstandig actief als mobiele luchtlandingseenheid. Toen werd het samen met het Regiment Commando gereorganiseerd, zodat beide een bataljon van het nieuwe Regiment Para-Commando vormden. De tradities van het Belgian (5th) SAS/Belgische SAS-regiment werden zo voortgezet door het 1e Bataljon Parachutisten (1 PARA), gelegerd in Diest.
In het kader van besparingen en de reorganisatie van het Belgische leger werd 1 PARA in 2011 ontbonden, na 59 jaar onafgebroken dienst. In december 2010 waren het vaandel, de kentekens en de tradities van de eenheid al officieel overgedragen aan de pas opgerichte Special Forces Group (SFG).
Ontstaan van het Belgische burgerparachutisme
In 1960 werd het Huis de bakermat van het Belgische burgerparachutisme door de oprichting van het Nationaal Centrum voor Burgerparachutisme (CNP), dat er zijn zetel kreeg. Dankzij overeenkomsten met het opleidingscentrum voor Parachutisten in Schaffen konden duizenden jongeren tijdens opleidingen van 15 dagen kennismaken met het parachutespringen: zeven dagen grondtraining en zeven dagen sprongen, eerst uit een ballon en daarna uit een vliegtuig. Ook onze vorst, koning Filip, nam begin jaren 1980 aan zo’n opleiding deel.